Moeder – Deel I

Share with:

FacebookTwitter


Zondag, 14 mei 2017.  Moederdag.  Twitter loopt vol van wensen voor de moeders en herinneringen om zeker en vast je eigen moeder niet te vergeten.
Ik bén haar niet vergeten.  Naar goede gewoonte heb ik haar gebeld om haar een fijne moederdag te wensen.

Er waren jaren dat ik meer deed.  Jaren bracht ik haar bloemen of pralines.  Bloemen die ze koeltjes in ontvangst nam, pralines die direct de koelkast in belandden.  Ik merkte de vreemde reactie wel op, doch stond er niet bij stil.  Want zo was moeder.

Moeder was altijd al een apart mens.
Het mocht duidelijk zijn dat ze om te beginnen al geen moeder wenste te worden.
En toch ben ik geen ongelukje.
Ik kwam ter wereld omdat het voor moeder de laatste mogelijkheid was om niet uit huis te moeten gaan werken.  Alle andere redenen waren reeds opgebruikt en volgens de dokter des huizen was dat nog de enige mogelijkheid die kon ingeroepen worden.
Dus werd moeder zwanger en 38 weken later kwam ik ter wereld.
Héél even was moeder blij dat ik er was.  Het was namelijk een rotzwangerschap geweest.  De bevalling verliep ook niet echt vlot en vader, die eigenlijk graag twee kinderen wou, vond het allemaal net iets te beangstigend om het ganse avontuur een tweede keer aan te gaan.  De held op sokken.  Achteraf bekeken zeg ik “gelukkig maar”.
De blijdschap van moeder was echter van korte duur en thuisgekomen maakte ze al snel plaats voor onverschilligheid.  Onverschilligheid die vergoelijkt werd onder de noemer “ze huilt te veel” waardoor ik in mijn eerste acht levensmaanden door twee tantes werd verzorgd in plaats van door moeder.  Kampte moeder met een postnatale depressie? Wie zal het zeggen.  In die tijd was de enige gekende depressie meteorologisch gerelateerd.  Jonge moeders konden enkel maar doen wat van hen verlangt werd en verder hopen op wat hulp van gezinsleden en naaste familie.
Hoe mijn “babytijd” verder verliep is een mysterie.  Uitgezonderd een klein aantal foto’s en enkele korte verhaaltjes werd er nooit echt veel over verteld.

Fracties van mijn eigen herinneringen beginnen ergens rond mijn vierde of vijfde levensjaar met de Sint.
Een oom offerde zich elk jaar op om verkleed als de Goede man een bezoekje te brengen.  Uiteraard werd steevast van de gelegenheid gebruik gemaakt om me even goed bang te maken zodat ik zeker braaf zou zijn de komende twaalf maanden.  Ik kon die avond de ogen niet afhouden van de voeten van de brave man.  Aan die voeten prijkten een paar pantoffels.  Pantoffels die zo specifiek waren dat ik ze onmiddellijk herkende.  “Oom heeft net dezelfde pantoffels!” prevelde ik zachtjes doch net niet onhoorbaar genoeg.  Voor moeder het teken om al direct een einde te maken aan het Sint-verhaal.  Er werd geen moeite gedaan om een geloofwaardig verhaal op te dissen.  Nee.  Integendeel.  De baard van de Sint werd ostentatief verwijderd door moeder.  “Dààr zijn we vanaf ! Voorbij die achterlijke toestanden !”.  En moeder voelde zich blij, moeder voelde zich goed.
De daaropvolgende jaren kwam er nog wel een Sinterklaasgeschenk, maar de Sint kwam nooit meer over de vloer.  Ik wist dat moeder en vader de Sint waren.

Mijn dagelijks leven verliep gewoontjes, zij het wel met teugels die strak aangespannen werden door moeder.  Moeder was streng.  Moeder’s doelstelling was een kind groot brengen dat ook “luisterde naar een blik”.   Daarom strafte moeder al snel kleine en grote foutjes af door een mep.  Haar favoriet was een mep regelrecht in het gezicht.  Moeder genoot er namelijk van om een minuutje na de mep de roodheid op de wang te zien in de vorm van haar hand.  Een echte stevige zag je zelfs de vorm van de vingers.  Hoe groter de fout in haar ogen, hoe harder de mep.  Of er gezelschap bij was of niet maakte niet uit.  Maar ik mòcht nièt huilen.  Nooit! Huilen kon ze nièt hebben.  Huilen maakte  haar boos.  Dus beet ik mijn onderlip kapot in plaats van te gaan huilen.
Keer op keer weer, want moeder was heel erg strikt en streng.

Regelmatig was moeder ook vindingrijk en ging mee met het moment.  De mep was standaard.
Doch geregeld probeerde moeder iets nieuws uit.  Kwestie van er variatie in te brengen.
Ik herinner me een mooie zomeravond in mijn achtste levensjaar.  De rozen in de tuin hadden een magische aantrekkingskracht op me.  Steeds was ik op zoek naar die éne, perfecte roos.  Die ene waar geen enkel rozenblaadje van beschadigd was.  Waar de blaadjes mooi fluweelachtig waren.  Deze rozen waren zeldzaam in de tuin dus vond ik er zelf maar iets op en verwijderde de beschadigde rozenblaadjes.  Dit was de buurvrouw niet ontgaan en op een dag maakte ze een opmerking.  Achtjarige ik maakte toen een fout.  Achtjarige ik repliceerde ietsje te stout.  En achtjarige ik zou het een paar dagen later geweten hebben.  Die bewuste zomeravond werd moeder door de buurvrouw op de hoogte gebracht van het iets te stoute antwoord.  Achtjarige ik werd prompt bij moeder geroepen, in de tuin. Moeder zou wel eens tonen hoe ze achtjarige ik aanpakte.  Achtjarige ik mocht op blote knieën in het grint gaan zitten, vlak vóór de buurvrouw.  En de buurvrouw mocht beslissen wanneer achtjarige ik opnieuw rechtop mocht staan.  Achtjarige ik was de buurvrouw zo erg dankbaar dat ik het maar een paar minuten moest volhouden.  Zelfs op enkele minuten zat het grint in de knieën gedrukt en bleven er in zitten bij het op staan.  Maar achtjarige ik heeft nooit meer een iets te stout antwoord gegeven aan de buurvrouw.  Want de buurvrouw had me “gered”.

*wordt vervolgd

Share with:

FacebookTwitter


 

Leave a Reply

Your email address will not be published.

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>